Het verschijnsel straattaal: een verkenning

Jolanda van den Braak

Onderstaande beschrijving van straattaal is, zoals de aanhef vermeldt, een verkenning. Het geeft de bevindingen weer van de eerste stappen die ik heb gezet in mijn onderzoek naar straattaal en identiteit in Multi-etnisch Amsterdam. Aanvankelijk springt vooral het lexicon in het oog, maar naarmate het onderzoek vordert zullen vele nieuwe en aanvullende vragen aan bod komen. Vragen die betrekking hebben op straattaal als verpakking van boodschappen van verschillende aard. Want straattaal kan gebruikt worden voor het letterlijk onder woorden brengen van gedachten, ideeën en meningen, maar het is eveneens een middel waarmee gebruikers boodschappen van identiteit kunnen uitdragen. In welke vormen worden de verschillende boodschappen gegoten? In welke omstandigheden worden deze vormen gehanteerd? Wie maken er gebruik van? Welke beweegredenen dragen zij hiervoor aan? Uiteindelijk moeten de antwoorden op dergelijke vragen leiden tot een taalkundige én etnografische beschrijving van het verschijnsel straattaal, waarin de taal zelf onder de loep wordt genomen, maar ook de sprekers met hun intenties, emoties en belevingen.

De Nederlandse jongerentaal bestaat niet. Jongeren bewegen zich in allerlei groepen en subgroepen naar verschil en overeenkomst in voorkeur, interesse, leeftijd en ook in taalgebruik. Vrijwel alle jongeren ontwikkelen een eigen manier van spreken, een vorm van jongerentaal. Dit taalgebruik kan variëren van zeer specifiek binnen de eigen groep tot meer algemeen naar buiten toe. Straattaal is zo’n vorm van jongerentaal. Aanvankelijk stond het negatief in de belangstelling, omdat deze ‘smurfentaal’, die door allochtone jongeren gebruikt wordt, (nogmaals) een aanwijzing zou zijn voor hun slechte beheersing van het Nederlands. De sprekers zouden woorden uit andere talen gebruiken omdat ze niet bekend zijn met het Nederlandse equivalent. Bovendien zou er sprake zijn van verloedering van de Nederlandse taal in het algemeen.

Op deze eerste berichtgeving is commentaar gekomen. Om een houding te kunnen aannemen ten opzichte van straattaal moet tenslotte eerst onderzocht worden wat straattaal eigenlijk is. Onder meer door het ingrijpen van René Appel zijn de gemoederen wat bedaard. Hij heeft laten zien dat het gebruik van straattaal positief gerelateerd is aan de beheersing van het Nederlands: jongeren die het Nederlands niet goed beheersen gebruiken minder straattaal dan jongeren van wie die beheersing goed is. De jongeren vervormen of vervangen woorden dus niet uit gebrek, maar uit behoefte aan iets nieuws, uit creativiteit. Daarnaast is duidelijk geworden dat ook jongeren met het Nederlands als moedertaal straattaal gebruiken. Door hun contacten met of binnen etnisch gemengde groepen (ongeveer één op de drie Amsterdammers behoort tot een etnische minderheidsgroep) maken zij kennis met (elementen van) andere talen. Dat minderheden de taal van de meerderheid overnemen wordt normaal gevonden, andersom komt het echter niet in grote mate voor, schrijft Nortier, die onderzoek heeft gedaan naar Murks en straattaal in Utrecht (Murks is een vorm van Nederlands waarin de uitspraak en de woordkeuze van allochtone jongeren die

Nederlands spreken wordt nagedaan). Dit is “alleen maar mogelijk wanneer de sprekers van die meerderheidstaal – het Nederlands in dit geval – in een bepaald opzicht opkijken tegen de sprekers van de minderheidstalen, bijvoorbeeld wanneer zij hen stoer vinden. In dat geval staat het goed om door middel van het taalgebruik iets van het imago over te nemen” (2001: 37). Hoewel ik me afvraag of het imago van de taal, het imago van de sprekers, of een combinatie van beide doorslaggevend is, geloof ik zeker in straattaal als een stijlkenmerk. Straattaal kan, evenals kleding of muziek, een belangrijk onderdeel zijn van (sociale) identiteit. Zo lijken ook de media te redeneren. Steeds vaker behandelen zij straattaal als een stijlvol verschijnsel, waarbij het vooral gaat om de creativiteit van de jongeren en de onderscheidende kracht van taal. Over taalverarming, taalverloedering of taalverlies worden voornamelijk nog de taalkundigen aan het woord gelaten, die er op wijzen dat de angst hiervoor ongegrond is. Een jongerentaalvariant als straattaal zal de standaardtaal nooit doen verdwijnen of buiten spel zetten. Jongeren gaan tenslotte op zoek naar middelen waarmee zij zich kunnen onderscheiden, zowel van andere jongeren als van volwassenen. Het is dus in hun belang als het gebruik ervan enigszins beperkt blijft.

Een belangrijk kenmerk van het verschijnsel jongerentaal is dat het veel leenwoorden uit het Engels/Amerikaans bevat (denk alleen al aan woorden als shit en cool). Ook worden vertalingen opgenomen (zie je later als Nederlandse variant van see you later) en kunnen woorden een nieuwe betekenis krijgen (vet is geen plantaardige of dierlijke substantie, maar betekent te gek). Straattaal onderscheidt zich van andere vormen van jongerentaal onder meer door zich, naast het Engels/Amerikaans, te laten beïnvloeden door verschillende minderheidstalen. Door het Marokkaans-Arabisch, Berber of Turks, maar in Amsterdam vooral door het Sranantongo. Appel geeft hiervoor de verklaring dat Surinaamse jongeren vaak voorop lopen waar het gaat om zaken als kleding en schoeisel. De mogelijkheid bestaat dat zij ook met hun taalgebruik de trendsetters zijn. Naast deze culturele factor is er een linguïstische factor in het spel. De structuur van veel Surinaamse woorden is opgebouwd uit de opeenvolging van een medeklinker, een klinker, een medeklinker en weer een klinker. Aangezien sprekers doorgaans een voorkeur hebben voor woorden met een dergelijke opbouw, kan dit bijdragen aan de populariteit van het Surinaams in straattaal. Over het algemeen is de neiging tot het gebruik van woorden die eindigen op een open lettergreep groot. Duku (geld), foto (stad), pipa (pistool) en lusu (weg(gaan)) zijn enkele voorbeelden van Surinaamse straattaalwoorden die aan de genoemde voorkeur voldoen. Ook de jongerentaal zoals beschreven door Hoppenbrouwers bevat veel woorden die op deze manier gevormd zijn, zoals botto (botterik), giga (reusachtig) en popie (iemand die populair is of het graag wil worden). Maar de gebruiksfrequentie van diverse talen moet ook bij de beschouwing betrokken worden. De Amsterdamse bevolking telt meer Surinamers dan bijvoorbeeld Turken, waardoor het Turks minder tot straattaal zal doordringen dan het Surinaams. Nu is het niet zo dat alle Surinaamse jongeren straattaalsprekers zijn. Ook behoren niet alle straattaalsprekers tot dezelfde groep of subcultuur. Voor straattaal geldt, net als voor jongerentaal, dat het niet toegedicht kan worden aan een duidelijke en afgebakende groep jongeren. De straattaal bestaat niet.

Om een eerste beeld te krijgen van het werkelijke gebruik en de beleving van straattaal door jongeren in Amsterdam, ben ik de straat opgegaan met een vragenlijst. Min of meer willekeurig heb ik jongeren aangesproken van verschillende leeftijden (13 tot 19 jaar) en met verschillende culturele achtergronden, vooralsnog meer meisjes dan jongens. Ik heb hen onder meer gevraagd of zij bekend zijn met de term straattaal en of zij zelf straattaal gebruiken. Uit deze peiling blijkt dat de meeste jongeren niet alleen weten wat straattaal is, maar dat zij het zelf ook gebruiken. Bovendien vertellen zij dat al hun vrienden en/of klasgenoten dit ook doen. De redenen die zij geven voor het gebruik variëren. De een vindt het leuker dan ‘gewoon’ Nederlands, de ander vindt het stoerder en soms kun je je er beter mee uitdrukken dan met het Nederlands. Maar ook geven alle gevraagde sprekers aan dat ze er aan gewend zijn geraakt, dat het vanzelf gaat. In tegenstelling tot wat Van Kempen schrijft in een artikel, namelijk dat Damsko-taal “het Nieuwamsterdamse mengtaaltje van Nederlands, Engels, Surinaams, Turks en Marokkaans” (Ons Erfdeel, 2000, 43, 3: 331) alleen op straat en op het schoolplein wordt gehanteerd, blijkt uit mijn verkennend onderzoek dat straattaal aan terrein wint. De straattaalsprekers die ik gesproken heb geven allemaal te kennen dat ze het ook in de klas gebruiken. Dit komt overeen met de beweringen dat het gebruik van straattaal een automatisme is geworden. De docenten zullen hier niet allemaal gelukkig mee zijn, maar ook zij raken er, aldus een van de jongeren, aan gewend. Evenals de ouders overigens. Waar Van Kempen de meningen van enkele van zijn leerlingen weergeeft met de opmerking dat het niet getuigt van respect om met straattaal te spreken tegen ouders, vertellen de jongeren mij dat zij in de communicatie met hun ouders ook straattaal gebruiken. Een van de moeders probeert het soms zelfs na te doen. Dit wordt door haar dochter dan met veel hilariteit ontvangen. Het is tenslotte de taal van jongeren.

Hoe straattaal ontstaat weten de jongeren niet precies. Als iemand een leuk, goed of grappig woord gebruikt, neem je het over. Of je steekt bestaande woorden en uitdrukkingen in een nieuw jasje. Hot chocolate gaat in het straattaalvocabulaire van een van de jongeren bijvoorbeeld loko (= trein of metro) Damsko Bemre (= Amsterdam Bijlmer) door het leven als aantrekkelijke jongen. Op allerlei manieren kunnen de jongereneen draai geven aan de talen die ze binnen handbereik hebben. Zoals gezegd krijgen sommige woorden in jongerentaal een heel andere betekenis dan de doorgaans gehanteerde. Ook in de straattaalvariant is dit het geval, wat kan leiden tot de nodige verwarring bij diegenen die hiervan niet op de hoogte zijn. Een voorbeeld is beschreven in het boekje Surinaams voor reizigers en thuisblijvers (Ietswaart & Haabo, 2000: 8): “Loop je in Amsterdam op de Albert Cuyp en durft iemand je vriendje te noemen, herken dat dan als klootzak in Wakamantaal (straattaal, JB), sla kalm het volgende hoofdstuk op en zoek in Dottaki(schuttingtaal, JB) het passende antwoord”. Ook handig om te weten is dat een gruwelijke film niet slecht of angstaanjagend is, maar juist goed, een aanrader. En erg is helemaal niet erg. Het is te vergelijken met een jongerentaalwoord als wreed (goed). Verschillende jongeren- en straattaalbronnen laten zien dat Engelse/ Amerikaanse slang juist letterlijk wordt overgenomen. Er is hierbij geen sprake van veranderende betekenissen. De helft van de Amerikaanse top-20 van slang-woorden van de jaren 1997 tot en met 2000 (www.intranet.csupomona. edu) wordt door jongeren in Nederland regelmatig gebruikt, zoals chill (relax), dope (leuk, geweldig), phat (vet, cool) en da/the bomb (te gek, het einde). Muziek, televisie, internet, tijdschriften en andere media moeten in deze snelle verspreiding een groot aandeel hebben. Dit geldt niet alleen voor het Engels/Amerikaans, maar ook voor andere invloeden. In Nederland worden Surinaamse straattaalwoorden bijvoorbeeld op de markt gebracht door de Nederlandse rapper Def Rhymz, die onder meer met het nummer Doekoe een hit scoorde. En van interviews met leden van de Rotterdamse band The Postmen kan de ontvanger heel wat woorden leren die tot straattaal behoren, zoals law “opgewekt betekent het tof, zeg je het met een lage stem dan is het nep, dope”) en fa waka? (hoe gaat het?) (NRC Handelsblad, 9 maart 2001). En de NPS biedt de mogelijkheid kennis op te doen bij de serie Bradaz. Bovendien is er op de website van dit programma een enorme lijst straattaalwoorden te vinden die voortdurend wordt aangevuld door bezoekers (www.omroep.nl/nps/bradaz/ slang.html).

Verschillende media verspreiden straattaal en beïnvloeden het. Tegelijkertijd geven zij een hint wat betreft de interessen van de sprekers. Tenslotte hebben televisieseries en artiesten weinig belang bij het gebruik van straattaal als tot hun doelgroep geen jongeren behoren. Maar ook de straattaalwoorden zelf onthullen het een en ander. Op het eerste gezicht kunnen de meeste woorden verdeeld worden over een aantal betekenisvelden, zoals Hoppenbrouwers gedaan heeft voor zijn verzameling jongerentaal. Zo zijn onder meer te onderscheiden: seks en de relatie tussen jongens en meisjes, geld, geweld, sociale omgang (zoals groeten), schelden, persoonsaanduidingen (zowel positief als negatief) en waardeoordelen (zowel positief als negatief). Deze onderwerpen en uitlatingen maken deel uit van de belevingswereld van jongeren, wat niet wil zeggen dat zij hiermee werkelijk al hun tijd vullen. Allemaal hebben ze hun eigen opvattingen, ideeën, interessen, perspectieven en bezigheden. Bij de een kan geweld ter sprake komen in een weergave van de realiteit, terwijl het bij de ander een beschrijving van een film betreft. Uitlatingen over seks kunnen de eigen ervaring aan de orde stellen, maar eveneens die van anderen. Wellicht zijn bovengenoemde onderwerpen uitermate geschikt om in straattaal besproken te worden, waardoor er grote betekenisvelden omheen ontstaan, terwijl er voor andere onderwerpen een minder omvangrijke straattaalmarkt bestaat. De werkelijke stand van zaken is terug te vinden in de complete verhalen van de jongeren zelf. Wie zijn zij? Wat zeggen zij? Wat doen zij? En wat willen zij?

Literatuur

Appel, R. (1999). Straattaal. De mengtaal van jongeren in Amsterdam.

In: Toegepaste taalwetenschap in artikelen 62, 2, 39-56.

Hoppenbrouwers, C. (1991). Jongerentaal. De tipparade van de omgangstaal.

Stubeg BV, Hoogezand.

Webkwestie Taalkunde