Onderwerp 3: Jongeren- en straattaal

Komt die Chinoe uit Agga, neemt’ie s’nmattie mee. Ik dach: s’n mattie is een Tatta, maar die Chinoe kwam met een Mocro. Komme ze daar niet met een waggie, maar gewoon op een bika. Een Chinoe is o.k, maar in mi osso geen Mocro en geen Anti. Ik kom uit Damsko weet je.

Denkbeeldige communicatie op straat of de werkelijkheid van alledag. We kunnen er niet omheen: talen beïnvloeden elkaar. In de afgelopen 25 jaar zijn er steeds meer Engelstalige woorden opgedoken in het Nederlands. Straattaal is een fenomeen dat ertoe heeft geleid dat op 17 februari 2008 een eerste straattaaldictee werd gehouden, uitgezonden door BNN.

Hoe ontstaat straattaal eigenlijk? Waar ontstaat straattaal en wat is de invloed ervan op het algemene Nederlands?

We zouden denken dat het antwoord op de tweede vraag gemakkelijk te beantwoorden is, het tegendeel is waar, want hoeveel straten zijn er wel niet in Nederland? Verstaat iemand die is opgegroeid met de straattaal van Utrecht, een straattaalspreker uit Rotterdam? Kunnen straattaalsprekers uit Amsterdam en Den Haag elkaar goed begrijpen?

Vergelijk het met de knikkerbenamingen op het schoolplein. Op sommige scholen worden grote zwarte knikkers looie detten genoemd, een naam met een lange geschiedenis. Maar elders, op een ander schoolplein, dat niet per se ver weg hoeft te liggen, worden deze knikkers zwarte panters genoemd.

 

Zo is het ook ongeveer met straattaal. De regionale verschillen zijn groot. Er zijn wel woorden uit de straattaal die landelijk worden gebruikt – doekoe voor ‘geld’ bijvoorbeeld, en mattie voor ‘maat’ – maar er zijn zoveel variaties dat straattaalsprekers uit verschillende steden of wijken inderdaad moeite zouden hebben om elkaar goed te begrijpen. Hiermee raken we meteen een ander kenmerk van straattaal: het is een groepstaal. Het is een taal die in een bepaalde groep wordt gesproken om het groepsgevoel te versterken. Een groep jongeren op school bijvoorbeeld, of jongeren uit een bepaalde wijk. Zij zeggen bijvoorbeeld tegen elkaar: ,,Hé mattie, fawaka (hoe gaat het?)? Heb jij een jonko (jointje) voor mij?” Buitenstaanders begrijpen dit niet, maar zij wel, wat het gevoel van saamhorigheid versterkt.

Er bestaan al heel lang straatwoorden, maar sinds Nederland een multicultureel land is geworden, is de straattaal veel kleurrijker geworden. We vinden er woorden in terug uit onder meer het Turks, het Marokkaans-Arabisch, het Berbers, het Surinaams, het Papiaments, het Engels en het Nederlands. Ook wat de invloed van die talen betreft kunnen de verschillen per straat, wijk of stad groot zijn. In steden waar veel Antillianen wonen, zoals in Rotterdam, is de invloed van het Papiaments groter dan in Amsterdam, waar de invloed van het Surinaams weer groter is. Straattaal wordt zeker niet alleen gesproken door jongeren die veel op straat rondhangen, de zogenoemde hangjongeren, maar ook door jongeren van verschillende culturele en sociale achtergronden. Je pikt het op in de klas, op het schoolplein, in de sportkantine – overal waar veel jongeren bij elkaar zijn.

 

Het maken van een dictee in straattaal is haast een onmogelijke opgave. Hoe schrijf je scotoe eigenlijk? (een van de vele straattaalwoorden voor ‘politie’) Met een c of met een k? En hoe schrijf je jilla, straattaalwoord voor ‘gevangenis’? Met een j of met dj? Een jury kan straks wel een bepaalde schrijfwijze goed of fout rekenen, maar dat is natuurlijk grotendeels nattevingerwerk. Straattaal schrijf je zoals het klinkt: de grap is dat niet iedereen dezelfde straattaalwoorden op dezelfde manier uitspreekt.

 

Veel ouders die hun kinderen straattaal horen spreken, schrikken daarvan. Ze zijn bang dat dit het algemene Nederlands van hun kinderen zal beïnvloeden. Dat zij opeens te pas en te onpas fawaka zullen gaan zeggen – in een sollicitatiegesprek bijvoorbeeld. Die angst is ongegrond. Kinderen zijn net als volwassenen prima in staat om van de ene taal – dialect bijvoorbeeld – over te stappen op de andere taal. En sowieso is de invloed van straattaal op de standaardtaal erg klein. Er zijn slechts een paar woorden boven komen drijven. Zo wisten enkele jaren geleden nog maar weinig mensen dat doekoe ‘geld’ betekent. Inmiddels is dit bij zoveel mensen bekend dat de echte straattaalsprekers liever andere woorden voor ‘geld’ gebruiken, die alleen door de leden van hun groep worden verstaan.

Want dat is en blijft de essentie van straattaal: het is een culturele mengtaal, gemaakt door en bedoeld voor een bepaalde groep. Hoe je die woorden spelt, zal de meeste straattaalsprekers worst zijn.

 

             

Webkwestie Taalkunde

Vragen: A) ken jij mensen die straattaal spreken?

               B)  In hoeverre verschilt het Westlands van straattaal? Geef uitgebreid antwoord.

               C) Vertaal het beginstukje bovenaan deze pagina.